Paul vertelt...

 

Afrika, ons beeld vooraf

 

Het is zo'n 10 maanden voor vertrek. Een vriend zit tegenover me in het café. We hebben het over onze dromen. In zijn geval is het voor zichzelf beginnen. Hij mag als gevolg van een reorganisatie 'het bedrijf verlaten' en krijgt sindsdien regelmatig een baan aangeboden, maar als je diep in zijn hart kijkt, wil hij net als zijn vader ‘eigen baas’ zijn. Ik heb er alle vertrouwen in dat het hem gaat lukken, maar er blijft altijd een stukje onzekerheid over. Er is een heel gezin van hem afhankelijk en vooral dat doet hem twijfelen.

 

En dan zegt hij midden in een zin: 'Volgens mij is fietsen naar Zuid-Afrika wel een wat pittigere onderneming dan jullie vorige fietstocht naar Singapore vijf jaar geleden’. Het onderwerp verandert. Ineens gaat het over mijn dromen. Ik knik, ben even in gedachten en mompel iets dat hij terecht opvat als een bevestiging. Ik kan niet wachten om te vertrekken en tegelijkertijd vind ik het berespannend.

 

Want hoe zit dat daar in Afrika eigenlijk? Wat is de staat van de wegen? Wasbord schijnt populair te zijn als ik de reisverslagen lees, kort daarop gevolgd door mul zand. Er wordt wel steeds meer geasfalteerd, maar de vraag is of dat een vooruitgang voor ons is. Automobilisten kunnen volgens de overleveringen immers niet betrapt worden op enig ontzag voor tweewielers. Op asfaltwegen rijden ze alleen nog maar sneller. Daarnaast maak ik me zorgen over de afstanden tussen dorpjes en daaraan gerelateerd de bevoorrading van eten en drinken. Eten sowieso. Bij Afrika denk ik niet meteen aan overvloed en variatie. Terwijl bekend is dat fietsers op dergelijke tochten zo’n 5.000 kCal per dag nodig hebben; de dubbele hoeveelheid van een  kantoorklerk, waar ik in het dagelijks leven ook toe behoor.


Dan natuurlijk het dierenleven.  Wilde dieren zijn schitterend vanuit een hoog op zijn wielen staande safari-bus. Vanaf de fiets heb je een iets lager standpunt en zijn ze misschien nog wel indrukwekkender… Ik hoop ze ook te zien, maar toch…  Ik lees momenteel een boek over een fietser die de hyena’s beschrijft die ’s nachts rond zijn tent ‘hangen’. En waar hyena's zijn, zijn leeuwen; dat schijnt een gegeven te zijn. Het zal ongetwijfeld wennen, maar het is niet het eerste waar ik nu - zes maanden voor vertrek - naar uitkijk. Aan de andere kant, deze beesten zie je tenminste nog en je kan in ieder geval een poging doen om je ertegen te verweren. Zo leer ik bijvoorbeeld ook dat mensen vooral bij volle maan aangevallen worden door leeuwen. Dat schijnt te komen omdat de gebruikelijke prooien tijdens volle maan massaal in hun holen blijven, omdat ze te goed zichtbaar zijn. Kijk met die informatie kan ik iets! De vraag blijft alleen wel wat…

 

Dan heb je nog dat kleine spul: tsee-stee vliegen, muggen die de meest verschrikkelijke ziektes overbrengen, virussen en bacteriën. Daar ben ik misschien nog wel banger voor omdat je daarvan niet beseft dat je in gevaar bent… En tot slot denk ik aan al die Afrikaanse culturen. In Ethiopië schijnt het gebruikelijk te zijn dat kinderen stenen naar fietsers gooien; ouders doen daar gezellig aan mee. En natuurlijk is er het grote verschil in rijkdom. Hoe reageren de mensen op ons, maar ook hoe reageren wij op hun armoede? Wat doet het met ons? Lukt het ons om een goede balans te vinden?


Maar verder is het denk ik wel een beetje vergelijkbaar met de reis naar Singapore’, zeg ik. ‘Mmm mmm’… Mijn vriend houdt het verder op een veelbetekenend zwijgen. We weten allebei dat er weinig ‘verder’ is. Op alle fronten lijkt deze tocht naar Zuid-Afrika toch wat pittiger dan onze reis naar Singapore. Na een paar minuten doorbreek ik de stilte. ‘En toch heb ik wel heel veel zin om te vertrekken…’